Ik heb één zus. Jij hebt twee ..., zuusen, zusen, zussen, Vandaag heb ik één afspraak. Morgen heb ik twee ...., afspraaken, afspraken, afsprakken, Ik heb één baan. Mijn moeder heeft twee ..., baanen, banen, bannen, Hier is een fles cola. Hier zijn ook ..... water., fleesen, flesen, flessen, De reis is €10,00 per persoon en €18,00 voor twee ..., persoonen, personen, personnen, Citroenen zijn zuur. Houdt jij ook van --- vruchten, zure, zuure, zuur, Deze jurk is wit. In de zomer draag ik graag ---- kleding, wite, witte, wit, Aardbeien zijn rood. --- vruchten zijn vaak zoet, roode, rood, rode, Koop jij vaak gele kleding? Nee ik houd niet van ---, gel, geel, gele, Kan jij op 1 ----- staan? Nee ik sta liever op twee benen, ben, been

さんの投稿です

リーダーボード

表示スタイル

オプション

テンプレートを切り替える

自動保存: を復元しますか?