1) Hij heeft gisteren lekker ... (sporten) a) gesport b) gesportt c) gespord d) gesportet 2) Ze hebben vier jaar in Maastricht ... (studeren) a) studeerd b) studeert c) gestudeerd d) gestudeert 3) Wij hebben vorige week veel ... (wandelen) a) gewandelt b) gewandeld c) gewandeelt d) gewandeeld 4) Ze heeft vanochtend lekker ... (douchen) a) gedoucht b) gedouchd 5) We hebben ons hele huis ... (schilderen) a) geschildert b) geschilderd 6) Jullie hebben echt lekker ... (koken) a) gekokt b) gekokd c) gekookt d) gekookd 7) We hebben de hele nacht over corona ... (dromen) a) gedromt b) gedromd c) gedroomt d) gedroomd 8) Ze zijn naar de universiteit ... (fietsen) a) gefietst b) gefietsd 9) Hij heeft op de mail ... (antwoorden) a) geantwoort b) geantwoord c) geantwoordet d) geantwoorded 10) Ik heb twee jaar in Parijs ... (wonen) a) gewont b) gewond c) gewoont d) gewoond

リーダーボード

表示スタイル

オプション

テンプレートを切り替える

自動保存: を復元しますか?