Zij ....de trein, nemen, Hij .....in de trein, stapt, De bus ....... bij de halte voor school, komt aan, De bus ...vol met mensen, is, Zij ........op de bus, wachten, Ze .......een kaartje., koopt, Hoeveel ......een kaartje voor de trein?, kost, De zussen .....in het park, zitten, De familie .....in het park, wandelt, Tom en Sara .....in de boot, stappen, Zij .....een zitplaats bij het raam, zoeken, Mijn vader ....met de trein naar zijn werk., gaat, Wij ......’s avonds laat aan. Wij gaan meteen naar huis., komen, De trein .....op spoor 3. Hij is vandaag op tijd., vertrekt

순위표

비주얼 스타일

옵션

템플릿 전환하기

자동 저장된 게임을 복구할까요?