1) Ik ga volgende week ___ vakantie naar Portugal. a) naar b) in c) op 2) Ruim 1000 sporters nemen deel ___ de marathon. a) aan b) met c) over 3) Kinderen zijn afhankelijk ___ hun ouders. a) van b) met c) tot 4) ___ onderzoek blijkt dat jongeren steeds verder reizen. a) uit b) door c) van 5) We huren elk jaar een appartement ___ de Spaanse kust. a) op b) aan c) in 6) Hygiëne komt bij veel mensen ___ de eerste plaats als ze een hotel boeken. a) aan b) op c) naar 7) Het boek Nederlands in actie bestaat ___ acht thema's. a) met b) van c) uit 8) Ik ben op zoek ___ een betaalbare accommodatie in Madrid. a) naar b) aan c) over 9) Wij kunnen enorm genieten ___ een luie strandvakantie. a) met b) van c) aan 10) Mijn vriend woont het liefst in de stad, maar ik ___ het platteland. a) op b) in c) aan

NiA_H2.27 Preposities

Thema

Lettertypen

Opties

Scorebord

Template wisselen

Interactief

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?