heel sterk., Zij is klein, maar ..., zijn band is lek., Hij wil fietsen, maar ..., we kwamen te laat., We gingen op tijd weg, maar ..., niet van vanille-ijs., Ik houd van aardbeienijs, maar ..., nog heel fit., De hond is oud, maar ..., dat boek daar is dun., Dit boek hier is dik, maar ..., het eten is nog niet klaar., Ik heb honger, maar ..., vandaag niet., Ze lacht veel, maar ..., ik kan hem dragen., De doos is zwaar, maar ..., het is wel koud., De zon schijnt, maar ..., ik heb geen tijd., Ik wil helpen, maar ..., de schildpad is langzaam., Het konijn is snel, maar ..., dat lukte niet., We wilden winnen, maar ..., ook grappig., De film is spannend, maar ..., ik snap het niet., Ik luister goed, maar ....

2. zinnen met het koppelwoord „maar”

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

)
Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?