blijf ik binnen., Het regent, dus ..., eet u een appel., U heeft honger, dus ..., gaat hij vroeg naar bed., Peter is moe, dus ..., luisteren we goed., De docent legt de les uit, dus ..., bleef zij thuis., Ashley was ziek, dus ..., trekken we een jas aan., Het is buiten koud, dus ..., gaan we lopen., De bus komt niet, dus ..., stel ik een vraag., Ik begrijp het niet, dus ..., kijkt iedereen om., De hond blaft hard, dus ..., neem ik pauze., Het werk is klaar, dus ..., drinken ze water., Zij hebben dorst, dus ..., haasten we ons., We zijn laat, dus ..., schrok zij., De poes hoorde een geluid, dus ..., zet ik een zonnebril op., De zon schijnt fel, dus ..., hielpen ze mij., Opa en oma hadden tijd, dus ....

2. zinnen met het koppelwoord „Dus”

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

)
Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?