Opa en oma hadden tijd, ____ Het regent, ____ De zon schijnt fel, ____ U heeft honger, ____ De poes hoorde een geluid, ____ Hij is moe, ____ We zijn laat, ____ De docent legt de les uit, ____ Zij hebben dorst, ____ Ashley was ziek, ____ Het werk is klaar, ____ Het is buiten koud, ____ De hond blaft hard, ____. De bus komt niet, ____. Ik begrijp het niet, ____

3. zinnen met het koppelwoord „Dus”

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?