Ik ga naar de bakker ____ ik koop een brood. Gaan we met de trein ____ pakken we de auto? ik wil wel komen, ____ ik heb geen tijd. Mijn ouders gaan vroeg slapen, ____ ze zijn erg moe. Het regent, ____ ik pak mijn paraplu. We zijn moe, ____ wij vannacht slecht hebben geslapen. Hij draagt een sjaal, ____ hij een zere keel heeft. De trein heeft vertraging, ____ ik kom later aan. Fred draagt een jas, ____ het is koud buiten. Het is een mooie auto, ____ hij is erg duur. Wilt u koffie ____ heeft u liever thee? Mario speelt piano ____ Cora zingt een lied.

1. Welk koppelwoord moet er tussen?

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?