Ik neem een paraplu mee, ____ de lucht is grijs. De winkel is gesloten, ____ we kunnen geen melk kopen. Ayat leert Nederlands, ____ ze moet inburgeren. Jan houdt van voetbal ____ Piet houdt van tennis. Gaan we naar de bioscoop ____ blijven we thuis? Ik heb honger, ____ de koelkast is leeg. Het is vakantie, ____ de scholen zijn dicht. Ze kan goed Engels, ____ ze durft het niet te spreken. De baby huilt, ____ hij honger heeft. Trek je vandaag een blauwe ____ een rode trui aan? De buurman heeft één hond ____ twee katten. Hij is blij, ____ hij is geslaagd voor zijn examen.

3. Welk koppelwoord moet er tussen?

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?