We moeten opschieten, ____ de trein vertrekt bijna. Ik pak mijn tas ____ ik vertrek naar mijn werk. Het hotel was prachtig, ____ het ontbijt was slecht. Is de soep warm genoeg ____ moet hij nog even op het vuur? Ik bel je straks, ____ ik nu in een vergadering zit. Ela is ziek, ____ ze blijft vandaag in bed. Zij koopt nieuwe schoenen, ____ de oude versleten zijn. Het vriest buiten ____ er ligt sneeuw op de daken. We wilden wandelen, ____ het begon in eens te regenen. Zij gaat naar de dokter, ____ ze voelt zich niet lekker. Het is donker, ____ de lampen moeten aan. Wil je een appel ____ heb je liever een banaan?

5. Welk koppelwoord moet er tussen?

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?