Jan .... gisteren een lekkere soep., kookte, kookde, kookten, koken, Anita .... vanmorgen naar de markt., fietsten, fietste, fietsde, fietsen,  Mo .... de schuur schoon., maakten, maakde, maakte, maken,  Sarah .... de laatste bus., miste, misde, misten, missen, Mark .... tot heel laat., werkten, werkte, werkde, werken,  De hond .... op een koekje., hoopde, hoopten, hoopte, hopen, Het kind .... om de clown., lachte, lachde, lachten, lachen, Jan .... na het traplopen., puften, pufte, pufde, puffen, De auto .... voor het licht., stopde, stopten, stopte, stoppen, Anita .... snel haar jas., pakte, pakde, pakten, pakken, Mo .... de buurvrouw., dankten, dankte, dankde, danken,  De jongen .... de bal weg., schopde, schopten, schopte, schoppen, De rechter .... de man., strafte, strafde, straften, straffen, Wie .... daar op de deur?, klopten, klopte, klopde, kloppen, Sarah .... op haar neefje., pasde, pasten, paste, passen, De vogel .... in het water., dook, dookte, doken, duiken, De bakker .... vers brood., baakten, bakte, bakde, bakken, Mark .... met de muis op de blauwe knop., klikde, klikten, klikte, klikken,  Opa .... bij de vijver., viste, visde, visten, vissen, Ela ... uit de trein., stapten, stapte, stapde, stappen, Het meisje .... met haar poppen., speelte, speelden, speelde, spelen, Ik .... de harde muziek., hoorde, hoorte, hoorden, horen, Mijn vader .... in een klein huis., Woonden, woonde, woonte, wonen, De dokter .... mij terug., belte, beelden, belde, bellen, Ayat .... tien woorden., leerde, leerte, leerden, leren, De jager .... het wilde dier af., schooten, schoot, schietde, schieten, De baby .... van de honger., huilte, huilden, huilde, huilen, Zijn zus .... vorig jaar een schuur., bouwde, bouwte, bouwden, bouwen, Ma .... de tafel af., ruimden, ruimde, ruimte, ruimen, De vorst .... een laagje ijs op het water., vormte, voormden, vormde, vormen, De oma .... naar haar kleinkind., zwaaide, zwaaite, zwaaiden, zwaaien, De krantenjongen .... de krant op de mat., gooiten, gooide, gooite, gooien, Ans .... door het bos., wandelte, wandelden, wandelde, wandelen, De jongen .... de plaat in., kleurde, kleurte, kleurden, kleuren, Wat .... er gisteren?, gebeurten, gebeurde, gebeurte, gebeuren, Mijn grootvader .... vorige week 100 jaar., wert, werden, werd, worden, De ronde tafel .... ik gisteren groen., verfde, verfte, verfden, verven, Pa .... in de zomer in de zee., zwommen, zwom, zwemd, zwemmen, U .... een kilo appels bij de groenteboer., kochde, kochten, kocht, kopen, De boot .... naar het eiland Texel., voer, voerte, voeren, varen.

1. De Verleden Tijd o.v.t. (-te of -de)

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

)
Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?