1) Jan .... gisteren een lekkere soep. a) kookte b) kookde c) kookten d) koken 2) Anita .... vanmorgen naar de markt. a) fietsten b) fietste c) fietsde d) fietsen 3)  Mo .... de schuur schoon. a) maakten b) maakde c) maakte d) maken 4)  Sarah .... de laatste bus. a) miste b) misde c) misten d) missen 5) Mark .... tot heel laat. a) werkten b) werkte c) werkde d) werken 6)  De hond .... op een koekje. a) hoopde b) hoopten c) hoopte d) hopen 7) Het kind .... om de clown. a) lachte b) lachde c) lachten d) lachen 8) Jan .... na het traplopen. a) puften b) pufte c) pufde d) puffen 9) De auto .... voor het licht. a) stopde b) stopten c) stopte d) stoppen 10) Anita .... snel haar jas. a) pakte b) pakde c) pakten d) pakken 11) Mo .... de buurvrouw. a) dankten b) dankte c) dankde d) danken 12)  De jongen .... de bal weg. a) schopde b) schopten c) schopte d) schoppen 13) De rechter .... de man. a) strafte b) strafde c) straften d) straffen 14) Wie .... daar op de deur? a) klopten b) klopte c) klopde d) kloppen 15) Sarah .... op haar neefje. a) pasde b) pasten c) paste d) passen 16) De vogel .... in het water. a) dook b) dookte c) doken d) duiken 17) De bakker .... vers brood. a) baakten b) bakte c) bakde d) bakken 18) Mark .... met de muis op de blauwe knop. a) klikde b) klikten c) klikte d) klikken 19)  Opa .... bij de vijver. a) viste b) visde c) visten d) vissen 20) Ela ... uit de trein. a) stapten b) stapte c) stapde d) stappen 21) Het meisje .... met haar poppen. a) speelte b) speelden c) speelde d) spelen 22) Ik .... de harde muziek. a) hoorde b) hoorte c) hoorden d) horen 23) Mijn vader .... in een klein huis. a) Woonden b) woonde c) woonte d) wonen 24) De dokter .... mij terug. a) belte b) beelden c) belde d) bellen 25) Ayat .... tien woorden. a) leerde b) leerte c) leerden d) leren 26) De jager .... het wilde dier af. a) schooten b) schoot c) schietde d) schieten 27) De baby .... van de honger. a) huilte b) huilden c) huilde d) huilen 28) Zijn zus .... vorig jaar een schuur. a) bouwde b) bouwte c) bouwden d) bouwen 29) Ma .... de tafel af. a) ruimden b) ruimde c) ruimte d) ruimen 30) De vorst .... een laagje ijs op het water. a) vormte b) voormden c) vormde d) vormen 31) De oma .... naar haar kleinkind. a) zwaaide b) zwaaite c) zwaaiden d) zwaaien 32) De krantenjongen .... de krant op de mat. a) gooiten b) gooide c) gooite d) gooien 33) Ans .... door het bos. a) wandelte b) wandelden c) wandelde d) wandelen 34) De jongen .... de plaat in. a) kleurde b) kleurte c) kleurden d) kleuren 35) Wat .... er gisteren? a) gebeurten b) gebeurde c) gebeurte d) gebeuren 36) Mijn grootvader .... vorige week 100 jaar. a) wert b) werden c) werd d) worden 37) De ronde tafel .... ik gisteren groen. a) verfde b) verfte c) verfden d) verven 38) Pa .... in de zomer in de zee. a) zwommen b) zwom c) zwemd d) zwemmen 39) U .... een kilo appels bij de groenteboer. a) kochde b) kochten c) kocht d) kopen 40) De boot .... naar het eiland Texel. a) voer b) voerte c) voeren d) varen

1. De Verleden Tijd o.v.t. (-te of -de)

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?