Jan kookt de soep. — ____ . Anita fietst naar haar werk. — ____ . Ik maak mijn huiswerk nu. — ____ . Sarah mist de trein naar de stad. — ____ Mark werkt in de tuin. — ____ . De hond hoopt op een lekker koekje. — ____ . Ik lach om een leuk mopje. — ____ . Jan puft nu door het warme weer. — ____ De man stopt voor het rode licht. — ____ . Anita pakt haar tas van de tafel. — ____ . Ik dank u voor de hulp die u me gaf. — ____ . Het meisje schopt de bal over het veld. — ____ De rechter straft de dief in de rechtbank. — ____ . Waarom klop je hard op de deur? — ____ . Ela past op haar nichtje. — ____ . Debbie mikt vaak het papier naast de prullenbak. — ____ De man schrikt heel snel. — ____ . Ik klik nu op de blauwe knop. — ____ . Opa vist elke zaterdag bij de vijver. — ____ . Anita speelt nu een spelletje op haar telefoon. — ____ Ik hoor muizen op zolder. — ____ . Jan woont nu in een mooie flat. — ____ . De postbode belt nu aan om een pakketje af te geven. — ____ . De kleine pup huilt in de bench. — ____ Abdullah bouwt nu een huis. — ____ . Lycha ruimt graag op. — ____ . De vorst vormt ijspegels aan het dak. — ____ . Oma zwaait naar de kleinkinderen. — ____ Mark gooit geld in zijn spaarpot. — ____ . Ik wandel elke dag een klein stukje. — ____ . De club voetbalt op zaterdag. — ____ . De tennisser tennist buiten op de baan. — ____ Wat gebeurt er nu in de straat? — ____ . Het meisje kleurt een kleurplaat. — ____ . Opa leeft heel gezond. — ____ . Oma reist met de bus door het land. — ____ Sarah belooft dat ze morgen komt. — ____ . De rode wijzer van de klok draait snel rond. — ____ . Mijn vader wordt vijftig jaar. — ____ . Pa zwemt buiten in de tuin. — ____ Koopt u een nieuwe auto? — ____ . De jager schiet op de schietschijf. — ____ . Het echtpaar vaart op de rivier. — ____ . De bloem groeit in een grote pot. — ____ Oma remt hard met haar e-bike. — ____ . De buurvrouw koopt vandaag de boodschappen op de markt. — ____ . De baby wordt nu eindelijk rustig. — ____ . Pieter glijdt over de bevroren sloot. — ____ Ester draagt een zware tas op haar rug. — ____ . De tekenaar tekent op een doek. — ____ . De familie schreeuwt van plezier. — ____ . Ik roer nu in de soep. — ____ Tante noemt mij nu 'haantje'. — ____ . De dominee gelooft in de vrede. — ____ . De man vouwt de kleding op. — ____ . Het sneeuwt vandaag. — ____ De juffrouw zeurt over de rommel in de klas. — ____ . De leerling oefent typen op het toetsenbord. — ____ . Haar oom sjouwt een zware koffer. — ____ . De vogel proeft van de blauwe besjes in de struik. — ____ De weerman wijst naar de weerkaart. — ____ . Karel beurt vandaag zijn loon. — ____ . In het spel dokter bibber, bibbert de dokter snel. — ____ . De was droogt nu buiten in de wind. — ____ Het regent nu heel hard. — ____ . De koper biedt geld voor het koophuis. — ____ . Hij sleept de zak nu naar de schuur. — ____ . De slordige zoon zoekt nu zijn schone sokken. — ____ Het onweert hier nog niet. — ____ . Ik haak veel dingen van wol. — ____ . Het waait vandaag heel hard. — ____ . Het vriest buiten heel hard. — ____ Ela gaapt, want ze is moe. — ____ . De hond blaft naar de postbode. — ____ . De tandarts poetst zijn eigen tanden. — ____ . De gast rookt buiten een sigaar. — ____ Oma kust haar kleinkind op de wang. — ____ . De kapper knipt mijn haar met een schaar. — ____ . De schoonmaker schrobt de muren. — ____ . Ik draai de sleutel om. — ____ De jongen rent naar de overkant. — ____ . Opa geeft een cadeau aan Ilayla. — ____ . De stoute lama spuugt naar de mensen. — ____ . Het gokken kost hem veel geld. — ____ De leeuw schrokt zijn vlees naar binnen. — ____ . Oma slikt een pilletje door. — ____ . Ze heult met de verkeerde mensen. — ____ . U spaart veel geld uit. — ____ Het kind groeit uit zijn jas. — ____ . De boer pelt een vers eitje. — ____ . Ik klap in mijn handen voor het liedje. — ____ . Opa reist graag met de boot. — ____ Ik spring met een stok over de sloot. — ____ . Frans parkeert de auto in het vak. — ____ . Ela handelt vaak op Marktplaats. — ____ . De Vlaamse reus stampt met zijn achterpoot op de grond. — ____
0%
1a. De Verleden Tijd (-te of -de)
Delen
Delen
Delen
door
Maris68
Nederlands
NT2
A2
B1
Verleden tijd t Fokschaap
Inhoud Bewerken
Afdrukken
Embedden
Meer
Toewijzingen
Scorebord
Meer weergeven
Minder weergeven
Dit scoreboard is momenteel privé. Klik op
Delen
om het publiek te maken.
Dit scoreboard is uitgeschakeld door de eigenaar.
Dit scoreboard is uitgeschakeld omdat uw opties anders zijn dan die van de eigenaar.
Opties Herstellen
Maak de zin af
is een open template. Het genereert geen scores voor een scoreboard.
Inloggen vereist
Visuele stijl
Lettertypen
Abonnement vereist
Opties
Template wisselen
Alles weergeven
Er zullen meer templates verschijnen terwijl je de activiteit gebruikt.
Open resultaten
Kopieer link
QR-code
Verwijderen
Automatisch opgeslagen activiteit "
" herstellen?