1) Praten: Ik ... gisteren met mijn buurman. a) praatte b) prate c) praatten d) praaten 2) Rusten: De cursist ... even uit na de les. a) rustten b) rustte c) ruste d) rusten 3) Raden: Jij ... meteen het goede antwoord. a) rade b) radde c) raadde d) raadden 4) Redden: De reddingszwemmer ... het kind uit het water. a) reede b) rede c) reden d) redde 5) Downloaden: Ik ... de nieuwe video voor de site. a) downloadde b) downloadt c) downloadten d) downloadden 6) Antwoorden: Hij ... netjes op mijn vraag. a) antwoordten b) antwoordde c) antwoordte d) antwoordden 7) Branden: De kaars ... de hele avond. a) brandden b) brandte c) brandde d) brandten 8) Kaarten: Opa ... gisteren in het buurthuis. a) karte b) kaartten c) kaarten d) kaartte 9) Zetten: Ik ... de koffie klaar in de keuken. a) zette b) zete c) zetten d) zeten 10) Melden: De leerling ... zich ziek voor de les. a) melde b) meldde c) melden d) meldden 11) Schudden: Zij ... het kussen goed uit. a) schudden b) schuden c) schudde d) schude 12) Landen: Het vliegtuig ... veilig op de baan. a) lande b) landden c) landen d) landde 13) Schatten: Ik ... dat er tien mensen waren. a) schatte b) schatten c) schate d) schaten 14) Stoten: Ik ... mijn knie tegen de tafel. a) stote b) stootte c) stootten d) stotten 15) Bloeden: De wond aan mijn vinger ... een beetje. a) bloeden b) bloedden c) bloedde d) bloede 16) Smeden: De smid ... het ijzer in het vuur. a) smede b) smeedden c) smeden d) smeedde 17) Besteden: Hij ... veel tijd aan de website. a) besteedde b) bestede c) besteede d) besteedden 18) Opletten: De leerling ... goed op tijdens de uitleg. a) letten b) lette c) leten d) lete 19) Zweten: Na het rennen ... ik heel erg. a) zwete b) zweette c) zweten d) zweetten 20) Groeten: Ik ... mijn buurvrouw toen ik wegging. a) groette b) groete c) groetten d) groetden

3. De Verleden Tijd o.v.t. : dubbel -tt / -dd

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?