1) Ik ga aan een studie beginnen. (beginnen aan) a) Ik ER ga aan beginnen. b) Ik ga ERaan beginnen. c) Ik ga aan ER beginnen. 2) Ik heb voor het beste merk gekozen. (kiezen voor) a) Ik heb voor HEM gekozen. b) Ik heb ERvoor gekozen. c) Ik heb voor een andere ER gekozen. 3) Ik oordeel niet over andermans liefdesleven. (oordelen over) a) Ik oordeel ER niet over andermans liefdesleven. b) Ik oordeel niet over HET. c) Ik oordeel ER niet over. 4) Ik besteed gemiddeld 2 uur aan mijn huiswerk. (besteden aan) a) Ik besteed ER gemiddeld 2 uur aan. b) Ik besteed gemiddeld 2 uur ERaan mijn huiswerk. c) Er besteed ik gemiddeld. 5) Ik bewonder mijn tante enorm (bewonderen) a) Ik bewonder ER enorm. b) Ik bewonder enorm HET. c) Ik bewonder HAAR enorm. 6) Hij heeft een duidelijke mening over dat radioprogramma. (een mening hebben over) a) Hij heeft een duidelijke mening over HET. b) Hij heeft ER een duidelijke mening. c) Hij heeft ER een duidelijke mening over. 7) Kan jij niet tegen melkproducten? (kunnen tegen) a) Kan jij ER niet tegen? b) Kan jij niet tegen ER? c) Kan jij niet tegen ZE? 8) Ik moest om zijn flauwe grappen lachen. (lachen om) a) Ik moest om zijn flauwe ER lachen. b) Ik moest ER lachen. c) Ik moest ERom lachen. 9) Geld speelt een belangrijke rol bij het kopen van een huis. (een rol spelen bij) a) Geld speelt ER een belangrijke rol bij. b) Er speelt geld een belangrijke rol bij. c) Daar speelt geld een belangrijke rol bij. 10) Wij hebben de documenten uitgewisseld. (uitwisselen) a) Wij hebben ER uitgewisseld.  b) Wij hebben ZE uitgewisseld. c) Wij hebben gewisseld ERuit.

NiA_H6.26 + 6.27 Preposities (+ er)

Thema

Lettertypen

Opties

Scorebord

Template wisselen

Interactief

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?