___ huis hier is een beetje klein., Dit, ___ boek daar op de tafel is saai., Dat, ___ theezeefje hier is vies., Dit, ___ kind daar op het speelplein is vrolijk., Dat, ___ broodje hier op mijn bord is lekker., Dit, ___ meisje daar bij de boom fietst hard., Dat, ___ jurkje hier past mij goed., Dit, ___ boompje daar achter in de tuin groeit scheef., Dat, ___ water hier in mijn glas is lekker koud., Dit, ____ klokje daar aan de muur tikt hard., Dat, ___ cadeautje hier is voor mijn kleindochter., Dit, ___ raam daar boven staat open., Dat, ___ paspoort hier op de balie is van mij., Dit, Is ___ snoepje daar op de tafel zoet?, dat, Moet ik ___ briefje hier bewaren?, dit, Is ___ paard daar achter in de wei zwart?, dat, ___ kopje hier is al helemaal leeg., Dit, ___ net daar in de schuur is kapot. , Dat, ___ schrijfblok hier gebruik ik voor de les., Dit, ___ vogeltje daar vliegt heel snel weg., Dat.

2. Hier en daar: Wat moet er staan, dit of dat?

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

)
Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?