Ken ik de school niet?, Ik ken de school wel., Kan ik het wel leren?, Ik kan het niet leren., Kende ik de school wel?, Ik kende de school niet., Kon ik het niet leren?, Ik kon het wel leren., Kent Peter de keuken niet?, Peter kent de keuken wel., Kan Peter wel drinken?, Peter kan niet drinken., Kende Peter de keuken wel?, Peter kende de keuken niet., Kon Peter niet drinken?, Peter kon wel drinken., Kent Lisa geen mensen?, Lisa kent wel mensen., Kan Lisa wel lezen?, Lisa kan niet lezen., Kende Lisa wel mensen?, Lisa kende geen mensen., Kon Lisa niet lezen?, Lisa kon wel lezen., Kennen jullie het lied niet?, Jullie kennen het lied wel., Kunnen jullie niet zingen?, Jullie kunnen wel zingen., Kenden jullie het lied wel?, Jullie kenden het lied niet., Konden jullie wel zingen?, Jullie konden niet zingen., Kennen de broers de boer?, De broers kennen de boer., Kunnen de broers wel fietsen?, De broers kunnen niet fietsen., Kenden de broers de boer?, De broers kenden de boer., Konden de broers niet fietsen?, De broers konden wel fietsen.

2. Zinnen maken met modale werkwoorden: kennen en kunnen

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?