Ken ik de weg naar school niet?, Ik ken de weg naar school wel., Kan ik de taal wel leren?, Ik kan de taal niet leren., Kende ik de weg naar school wel?, Ik kende de weg naar school niet., Kon ik de taal niet leren?, Ik kon de taal wel leren., Kent Peter het recept in de keuken niet?, Peter kent het recept in de keuken wel., Kan Peter wel koffie drinken?, Peter kan geen koffie drinken., Kende Peter het recept in de keuken wel?, Peter kende het recept in de keuken niet., Kon Peter geen koffie drinken?, Peter kon wel koffie drinken., Kent Lisa geen mensen in de bibliotheek?, Lisa kent wel mensen in de bibliotheek., Kan Lisa geen boek lezen?, Lisa kan wel een boek lezen., Kende Lisa geen mensen in de bibliotheek?, Lisa kende wel mensen in de bibliotheek., Kon Lisa geen boek lezen?, Lisa kon wel een boek lezen., Kennen jullie geen mooi lied?, Jullie kennen wel een mooi lied., Kunnen jullie niet zingen onder de douche?, Jullie kunnen wel zingen onder de douche., Kenden jullie wel een mooi lied?, Jullie kenden geen mooi lied., Konden jullie wel zingen onder de douche?, Konden jullie niet zingen onder de douche., Kennen de broers de boer om de hoek wel?, Ja, de broers kennen de boer om de hoek wel., Kunnen de broers met de fiets naar de boer?, Ja, de broers kunnen met de fiets naar de boer., Kenden de broers de boer om de hoek niet?, Nee, de broers kenden de boer om de hoek niet., Konden de broers niet met de fiets naar de boer?, Nee, de broers konden niet met de fiets naar de boer.

3. Zinnen maken met modale werkwoorden: kennen en kunnen

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?