1) Ik woon ___ Arnhem a) naar b) op c) in d) met e) van f) tussen 2) De kleinkinderen luisteren graag ___ opa. a) tegen b) onder c) op d) naar e) in f) van 3) Leuk, we gaan ___ vrienden naar de bioscoop. a) van b) met c) onder d) tegen e) op f) in 4) Wij zitten ___ een Nederlandse school.  a) op b) onder c) in d) naar e) met f) tot 5) Ben je boos? Tel dan eerst ___ tien. a) op b) naar c) tot d) in e) onder f) tegen 6) Mijn familie houdt ___ lekker eten.  a) in b) op c) van d) met e) tot f) uit 7) Onze tuin ligt ___ ons huis. a) in b) van c) tot d) achter e) met f) tussen 8) Het meisje zit ___ haar vriendin. a) tussen b) onder c) naast d) tot e) van f) in 9) De kat zit ___ de tafel. a) in b) met c) tussen d) op e) van f) tot 10) Morgen gaan we met de hele klas ___ het Rijksmuseum. a) tot b) in c) naar d) tussen e) van f) met

door

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?