1) Ik ga niet zwemmen, a) want ik verkouden ben. b) want ik ben verkouden. c) want verkouden ben. 2) Mijn zus gaat naar de tandarts, a) omdat ze kiespijn heeft gekregen. b) omdat ze heeft kiespijn gekregen. c) omdat ze heeft gekregen. 3) Blijf je thuis of a) je gaat mee naar de winkel? b) ga je mee naar winkel? c) ga je mee naar de winkel? 4) Vorige week ben ik gebeten door een teek en a) nu er een rode vlek is ontstaan. b) nu is er ontstaan rode vlek. c) nu is er een rode vlek ontstaan. 5) Hij had bijna geen pijn, hoewel a) hij heel hard was gevallen. b) hij was hard heel gevallen. c) hij heel gevallen was hard.

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?