Je huiswerk is af, ____ je mag naar buiten. Hij wil wel naar voetbal, ____ hij mag niet van zijn moeder. Ik krijg geen nieuwe fiets, ____ ik heb er al een. Ze is lief, ____ soms ook een beetje stout. Het regent, ____ ik neem een paraplu mee. Mees vond het feest saai, ____ zijn vrienden waren er niet. Ik weet nog niet wat ik ga doen volgende week. Misschien ga ik kamperen ____ ik slaap in een hotel. De trein vertrekt over een half uur, ____ we moeten ons erg haasten. Ik heb echt trek! ik wil een ijsje ____ een milkshake. Wil jij straks fietsen ____ ga je lopen? Kirsten was ziek, ____ gelukkig is ze weer beter. Ik ben ziek, ____ ik ga niet naar de les. Lonneke wil een ijsje kopen, ____ ze heeft niet genoeg geld. Quentin is naar Georgië geweest ____ heeft daar familie gezien.

Thema 5: Nevenschikkende voegwoorden

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?