Je mag naar buiten ____ je huiswerk is af. Ga je met de auto ____ met de fiets? Ik heb hoofdpijn ____ ik heb ook buikpijn. Hij wil wel naar voetbal, ____ hij mag niet van zijn moeder. Wil je koffie ____ thee? Ze rennen naar huis, ____ het regent. Ze is lief, ____ soms ook een beetje stout. Mees vond het feest saai, ____ zijn vriendje was er niet. Ik weet nog niet wat ik ga doen. Misschien ga ik kamperen ____ ik slaap in een hotel. We moeten ons erg haasten, ____ de trein vertrekt over een half uur. Ik heb echt trek! ik wil een ijsje ____ een milkshake. Wil jij straks fietsen ____ lopen? Ik wil een e-mail sturen, ____ mijn computer is kapot. Lina was bijna te laat vandaag, ____ ze wilde niet opstaan. Kirsten was ziek, ____ gelukkig is ze weer beter. Ali heeft een poes ____ John heeft een hond. Ahmet mag binnenkomen ____ zijn schoenen zijn uit. We willen graag op vakantie ____ we hebben geen geld. Mohamed gaat naar 2 landen, België ____ Frankrijk. Waar zit Valerie ? Zit ze tegenover Kirsten ____ naast Ibrahim?

Voegwoorden thema 11 taak1

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?