Je mag naar buiten ____ je huiswerk af is. Ik krijg geen nieuwe fiets, ____ ik heb er al een Hij wil wel naar voetbal, ____ hij mag niet van zijn moeder. Wil je koffie ____ thee? Ze rennen naar huis, ____ het regent. Ze is lief, ____ soms ook een beetje stout. Mees vond het feest saai, ____ zijn maatje was er niet. Ik weet nog niet wat ik ga doen in de vakantie. Misschien ga ik kamperen ____ ik slaap in een hotel. We moeten ons erg haasten, ____ de trein vertrekt over een half uur. Wil jij straks fietsen ____ lopen? Lina was bijna te laat vandaag, ____ ze wilde niet opstaan. Kirsten was ziek, ____ gelukkig is ze weer beter. Ahmet mag zijn schoenen uit, ____ hij ze netjes opruimt. Isa heeft een nieuwe jurk, ____ ze heeft gewinkelt Quentin is naar Georgië geweest ____ heeft daar familie gezien. Tijmen mag iets zeggen ____ hij zijn hand opsteekt. Valerie zit tegenover Kirsten ____ naast Ibrahim. Willemijn ging een ijsje halen maar ze weet niet welke smaak. Zal ze vanille ____ aardbei kiezen?

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?