De koe melkt moeder., Moeder melkt de koe., Vader melkt de koe., , Zij zit op het hek., Man zit op het hek., Hij zit op het hek., , Bob is geen kikker., Bob is geen pad., Is Bob geen kikker?, , Bob is een kikker., Bob is een pad., Bob is een rat., , Het is slecht weer., Ze eten een ijsje., Het is mooi weer., , Ze eten een ijsje., Ze drinken een ijsje., Eten ze een ijsje?, , De fiets fietst snel., Hij fietst snel., Zij fietst snel., , De jongen valt., De vrouw valt., De man valt., , Hij is kok., Hij is ober., Hij is bakker., , Hij kookt vies., Hij kookt lekker., Kookt hij lekker?, , De lamp is stuk., De lamp is aan., De lamp is uit, , De lamp is aan., De lamp is uit., De lamp is mooi., , Ze typt een brief., Ze schrijft een brief., Schrijft ze een brief?, , Typt hij een brief?, Hij schrijft een brief., Hij typt een brief., , Een bloem in de wei., Een boom in de wei., Een plant in de wei., , Een bloem met één vlieg., Een bloem met één bij., Een bloem met één wesp., , Zij plukt een plant., Zij plukt een boom., Zij plukt een bloem., , Een bloem in een vaas., Een bloem in een fles., Een bloem in een pot., , De beer ziet de maan., De wolf ziet de maan., Ziet de wolf de maan?, , De vos huilt., De hond huilt., De wolf huilt., , Het huis is oud., Is het huis oud?, Een huis van hout., , Het raam is stuk., Het dak is stuk., Het huis is stuk., , Vader bakt een taart., Oma bakt een taart., Moeder bakt een taart., , Lies is jarig., Lien is jarig., Mies is jarig., , Het is winter., Het is herfst., Is het herfst?, , Lies veegt de tuin., Mien veegt de tuin., Mies veegt de tuin., , Eén nest in een boom., Vogeltjes in het nest., Boom met een nest., , De ree ziet Ela., Ela ziet een ree., Ziet Ela een ree?, , Ela kijkt naar de ree., De ree ziet Ela., De ree kijkt naar Ela., , Hij is de tuinman., Zij is de tuinvrouw., Hij werkt in de tuin., , Zij is de tuinvrouw., Hij werkt in de tuin., Hij is de tuinman., , Kees krijgt gymles., Kees kan zwemmen., Kees krijgt zwemles., , Hij leert zwemmen., Zij leert zwemmen., Hij leert duiken., , Dit is een groenteboer., Dit is een markt., Dit is een winkel., , We kopen bij de groenteboer., We kopen in de winkel., We kopen op de markt., , We gaan met de trein., We gaan met de metro., We gaan met de tram., , De tram rijdt snel., De trein rijdt snel., De metro rijdt snel., , Het is ouderdag., Het is Vaderdag., Het is Moederdag., , Ik geef moeder een cadeau., Ik geef moeder een bloem., Ik geef moeder een kus., , Vogeltjes in de boom., Vogeltjes in het nest., Eén nest in een boom..
0%
4. Welke zin hoor jij? Lees en luister oefening. A1+
Delen
Delen
Delen
door
Maris68
Basisschool
Volwassenen
A1
Nederlands
NT2
A2
Lezen
Inhoud Bewerken
Afdrukken
Embedden
Meer
Toewijzingen
Scorebord
Meer weergeven
Minder weergeven
Dit scoreboard is momenteel privé. Klik op
Delen
om het publiek te maken.
Dit scoreboard is uitgeschakeld door de eigenaar.
Dit scoreboard is uitgeschakeld omdat uw opties anders zijn dan die van de eigenaar.
Opties Herstellen
Quiz
is een open template. Het genereert geen scores voor een scoreboard.
Inloggen vereist
Visuele stijl
Lettertypen
Abonnement vereist
Opties
Template wisselen
Alles weergeven
Er zullen meer templates verschijnen terwijl je de activiteit gebruikt.
)
Open resultaten
Kopieer link
QR-code
Verwijderen
Automatisch opgeslagen activiteit "
" herstellen?