Jan loopt naar het bad., Jan loopt naar het bed., Jan loopt naar de kraan., , Hij draait de kraan dicht., Hij zet de kraan open., Jan kleedt zich uit., , Het bad loopt leeg., De bak loopt vol., Het bad loopt vol., , Jan zit in bad., Jan ligt in bad., Jan staat in bad., , Zij voelt zich moe., Jan voelt zich moe., Hij voelt zich moe., , Dan gaat Jan naar bed., Jan voelt zich moe., Jan slaapt in bed., , Sara speelt in de tuin., Sara speelt in het huis., Sara speelt in de schuur., , Daar komt hij aan., Daar komt Sara aan., Daar komt Daan aan., , Daan vindt Sara lief., Sara vindt Daan lief., Sara vindt hem lief., , Daan geeft Sara een beer., Sara geeft Daan een beer., Hij geeft haar een beer., , Hij geeft haar een zoen., Sara geeft hem een zoen., Zij geeft hem een zoen., , Kees is een heks., Pien is een heks., Zij is een heks., , Pien is een pompoen., Hij is een pompoen., Kees is een pompoen., , Kees en Pien krijgen snoep., Pien en kees krijgen snoep., Hij en zij krijgen snoep., , Het is een fijn feest., Het is een leuk feest., Het is een feest., , Tes is vanavond jarig., Tes is vandaag jarig., Tes is vanmiddag jarig., , Tes is laat wakker., Tes ligt te slapen., Tes is al vroeg wakker., , De maan schijnt nog., De zon schijnt nog., De ster schijnt nog., , Moeder moet gaan slapen., De maan moet gaan slapen., Tes moet gaan slapen., , Kijk het sneeuwt., Kijk het hagelt., Kijk het regent., , Tom gooit een bal naar Roos., Roos gooit een bal naar Tom., Hij gooit een bal naar haar., , De jongens spelen met de slee., De meisjes spelen met de slee., Zij spelen met de slee., , Wij maken een sneeuwpop., Jullie maken een sneeuwpop., Zij maken een sneeuwpop., , Zij gaan naar huis., De kinderen gaan naar huis., De kinderen zwaaien, , Het regent, het sneeuwt., Het regent, het hagelt., Het regent, het regent., , De pannetjes worden nat., De pannen worden nat., De daken worden nat., , Er kwamen twee meisjes aan., Er kwamen twee boerinnetjes aan., Er kwamen twee vrouwtjes aan., , Die vielen op hun been., Die vielen op hun knie., Die vielen op hun gat., , Wim is een week bij Bas., Bas is een week bij Wim., Wim is een week bij Wim., , Hij woont in een tent., Bas woont in een tent., Wim woont in een tent., , Hij gaat naar de beek., Wim en Bas gaan naar de beek., Ze gaan naar de beek., , In de beek is er vis., In het meer is er vis., In de zee is er vis., , Wim en Bas eten de vis., Bas en Wim eten de vis., Zij eten de vis., , Ik ben heel boos., Ik ben heel kwaad., Ik ben boos., , Ik ren op straat., Ik loop op straat., Ik zit op straat., , Het waait hard., Het sneeuwt hard., Het regent hard., , Mijn laars is stuk., Mijn slipper is stuk., Mijn schoen is stuk., , Mijn voet is nat!, Mijn voet is droog!, Mijn voet is vies!, Mijn jas is nat!, Mijn schoen is nat!, Mijn jas is nat!, Mijn haar is nat!, Ik ben heel nat!, De tas heel nat!, Mijn trui heel nat!, Ik ben heel nat!.

7. Welke zin hoor jij? Lees en luister oefening. A1+

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

)
Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?