Dat is ______ schoen., ik, mijn, Welke kleur vindt ______ mooi?, jij, jouw, ______ gaat naar buiten?, U, Uw, ______ fiets is stuk., Hij, Zijn, ______ loopt in het park., Zij, Haar, ______ broer is heel lang., Wij, Onze, Ons, ______ gaan naar beneden., Jij, Jullie, Is deze auto van ______?, hun, zij, Het is ______ boek., ons, wij, onze, ______ werk in de mijn., Ik, Mijn, Is dat ______ vader?, jij, jouw, Dit is ______ krant., u, uw, ______ geeft de plant water., Hij, Zijn, ______ jas is geel., Zij, Haar, ______ zwemmen in de zee., Onze, Ons, Wij, Dit is ______ gezin., onze, ons, wij, Zijn ______ boos op de leraar?, jullie, uw, ______ schrijven een brief., Hun, Zij, Er vliegt een vlieg in ______ haar., mijn, ik, Mag ik ______ bezem even lenen?, u, uw, ______ moeder vindt altijd alles leuk., Jouw, Jij, Peter heeft niet _______ huiswerk gemaakt., hij, zijn, De naam van ______ hond is Meno., haar, zij, ______ kindje is heel moe., Wij, Onze, Ons, Het is ______ tent., ons, onze, wij, ______ hebben een goed idee., Jullie, Jouw, Zitten de buren in ______ tuin?, zij, hun.

2. De persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden in een zin

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

)
Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?