worden, met de kinderen spelen, gaan, opstaan, kopen, drinken, eten, tv kijken, sporten, slapen, koken, wandelen, bellen, praten, lezen, boodschappen doen, een boek lezen, naar de cinema, naar Oostende, naar de supermarkt, naar de bibliotheek, huiswerk maken, mijn familie telefoneren, Nederlands studeren, poetsen.

Tabela rankingowa

Motyw

Opcje

Zmień szablon

Przywrócić automatycznie zapisane ćwiczenie: ?