A: Ik ben Peter Janssen. Wie ben jij? B: .................................................., Ik ben hier., Ik kom uit Nederlands., Ik ben Joop., Helaas niet!, A: Waar kom jij vandaan? B: .................................................., Goed, en met jou?, Ik kom uit Frankrijk., Dankjewel., Ik weet niet., A: Welke taal spreek jij? B: ....................................................., Engels en een beetje Arabisch., Dat is prima!, Tot ziens., Ja, zeker., A: Hoe gaat het? B: Ik ben verkouden. A: ..........................................,,,, Ja, natuurlijk., Dat is vervelend., Ik kom zo., Ik ben docent., A: Waar woon jij? B: .........................................., Is zaterdag goed?, Ja, doe maar., Niet leuk!, In Apeldoorn.

Tabela rankingowa

Motyw

Opcje

Zmień szablon

Przywrócić automatycznie zapisane ćwiczenie: ?