De .......... kip legt nog geen eieren., jong, jonge, Wij geven het ........ brood aan de eendjes., oud, oude, Dat is een .............. fles wijn, zeg., duur, dure, We drinken een .......... biertje op het terras., lekker, lekkere, Iedereen gaat naar buiten in het ........... weekend., zonnig, zonnige, Die aardappels zijn erg ........, goedkoop, goedkope, Ik heb een ........... verjaardag gehad., fijn, fijne, De ........... broodjes zijn helaas op., warm, warme, Ik heb zin in een .............. ei bij het ontbijt., gekookt, gekookte, De lunch was heel ........., lekker, lekkere, Ik wil graag een ............. kopje koffie., klein, kleine, De ............. test is nu klaar., moeilijk, moeilijke

autor:

Tabela rankingowa

Motyw

Opcje

Zmień szablon

Przywrócić automatycznie zapisane ćwiczenie: ?