Ik heb een bank ____ vier stoelen De man wil graag een nieuwe auto kopen, ____ hij heeft geen geld. Ik wil graag wandelen, ____ het regent de hele dag. Ik wil een kopje koffie ____ een koekje erbij Ik vind lezen leuk ____ ik vind schrijven leuk. De vrouw wil fietsen, ____ zij heeft geen fiets. Hij heeft een hond ____ een kat. Ik vind lezen leuk, ____ ik vind schrijven niet leuk. Zij moet boodschappen doen ____ koken. Zijn kleren zijn oud ____ vies.

LLS B 6.2 oefenen met voegwoorden 'en','maar'

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?