1) Kun je dat herhalen? 2) Ik studeer Spaans omdat ik ga reizen. 3) Hallo, hoe is het? 4) Hoe heet het in het Spaans? 5) Wat vind je fijner, het platteland of de stad? 6) Op de foto staat een deur en een muur. 7) Ik vind dieren leuker. 8) Het is een mobiele telefoon. 9) Waar kom je vandaan? 10) In de weekenden lees ik de kranten. 11) Ik werk thuis en op kantoor. 12) Maribel is knap en heel aardig. 13) Ik woon in het centrum, in een mooie straat. 14) Heb je vragen? 15) Ze zijn beschikbaar van maandag tot vrijdag. 16) De tafels zijn mooi. 17) Jij krijgt het menu per e-mail. 18) Een dag per maand organiseren we een diner. 19) Wat is je geboortedatum? 20) Ik hou heel veel van je! 21) Mijn oma woont in een dorp. Haar huis is prachtig. 22) Ik kan ze elke dag bezoeken. 23) Ik ga het eten klaarmaken. 24) Ik begin om negen uur met werken. 25) Op woensdag ga ik naar de sportschool. 26) We zijn altijd samen. 27) Ik ben om vijf uur ‘s middags klaar met werken. 28) Wat kost een pak melk? 29) Ik heb geen mes/lepel/vork. 30) Dat is geen probleem.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?