slaap, Ik .... in mijn bed. (slapen), leest, Rosa .... een boek. (leest), drinken, Wij .... een kopje koffie. (drinken), woon, .... jij in Eindhoven? (wonen), schrijft, Robbie .... een e-mail. (schrijven), kookt, Thomas ..... rijst. (koken), rent, Ron .... naar de bus. (rennen), begrijp, Ik ... begrijp het niet. (begrijpen), bakt, Tina .... een taart. (bakken), geeft, Roos ..... een cadeau. (geven), spelen, De kinderen ..... met de Lego. (spelen), begint, De docent ..... met de les. (beginnen)

Werkwoorden presens

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?