Ik ben ....... 22 februari jarig., in, op, van, ........ de zomer is het warm., in, van, sinds, De bakker gaat ................. 18.00 uur dicht., tot, om, sinds, De slager is ...... zondag niet open., om, op, van, Yusuf woont ...... 2019 in Nederland,, tijdens, van ...... tot, sinds, Wij hebben les ...... 9.30 uur ...... 12.00 uur, op, van ...... tot, na, De trein vertrekt ...... 20 minuten. Wij moeten dus 20 minuten wachten., over, na, om, De film begint om 20.00 uur. Ik ga om 19.50 uur thee zetten, dat is ...... de film., na, voor, tijdens, Wij hebben vakantie ....... 27 april ....... 4 mei., sinds, op, van...... tot, Ik moet .............. mei naar de tandarts., op, in, om, Ik moet ...... 6 mei naar de tandarts., op, in, om, ................... 3 weken ben ik jarig. Ik moet nog 3 weken wachten., in, op, over, Ik ga ...... het weekend altijd wandelen., in, op, met, Ik eet mijn ontbijt. Ik poets mijn tanden ..... het eten., voor, na, tijdens

TC A1 7.10 woorden over tijd

by

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?