1) Er is geen eten in ... huis. a) een b) de c) het d) niks 2) Ik moet vandaag .... boodschappen doen. a) een b) de c) het d) niks 3) Ik maak ... boodschappenlijstje. a) een b) de c) het d) niks 4) ... boodschappenlijstje stop ik in mijn jaszak. a) een b) de c) het d) niks 5) Daarna pak ik ... grote boodschappentas. a) een b) de c) het d) niks 6) Ik ga op ... fiets boodschappen doen. a) een b) de c) het d) niks 7) Ik hang .... boodschappentas aan het stuur van mijn fiets. a) een b) de c) het d) niks 8) Ik ga naar ... winkel. a) een b) de c) het d) niks 9) Ik ga naar ... Jumbo in het winkelcentrum. a) een b) de c) het d) niks 10) Bij de Jumbo staan veel ... winkelkarren. a) een b) de c) het d) niks 11) Ik pak ... winkelwagen, ... a) een b) de c) het d) niks 12) en ik loop naar ... binnen. a) een b) de c) het d) niks 13) In de Jumbo is het druk. Er zijn veel ... mensen. a) een b) de c) het d) niks 14) Ik doe snel boodschappen en ga dan in ... rij bij de kassa staan. a) een b) de c) het d) niks 15) Ik ben gelukkig snel aan ... beurt. a) een b) de c) het d) niks 16) Ik betaal .... contant, ... a) een b) de c) het d) niks 17) en ga dan snel op ... fiets naar huis. a) een b) de c) het d) niks 18) Thuis neem ik .... lekker kopje koffie. a) een b) de c) het d) niks 19) ... weekend kan beginnen! a) een b) de c) het d) niks

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?