1) Een vrouw denkt ________ de dakgoot kapot is, want er druipt water langs de muur naar beneden. a) dat b) of 2) De vrouw heeft daarom een man gebeld om te vragen _________ hij naar de dakgoot kon komen kijken. a) dat b) of 3) De man zei ___________ hij morgen de dakgoot kon komen repareren.  a) dat b) of 4) De vrouw vroeg _____________________ de man ook om 10 uur kon komen. a) dat b) of 5) De man wist niet zeker _______ 10 uur wel zou lukken. a) dat b) of 6) Maar hij dacht _________11 uur zeker wel zou kunnen.  a) dat b) of 7) De docent heeft de studenten verteld __________ zij volgende week een toets hebben. a) dat b) of 8) De studenten zijn niet blij _________ zij alweer een toets krijgen. a) dat b) of 9) Zij vinden ______ de docent veel te veel toetsen geeft. a) dat b) of 10) De studenten zeggen tegen de docent ___________ zij het er niet mee eens zijn. a) dat b) of 11) Zij zijn het er niet mee eens ________ dat de docent zoveel toetsen geeft. a) dat b) of 12) Een student vraagt aan de docent ________ zij een reden heeft om zoveel toetsen te geven. a) dat b) of 13) De docent antwoordt ________zij graag goede resultaten met de studenten wil behalen. a) dat b) of 14) Ook is zij benieuwd _________iedereen alles goed heeft begrepen. a) dat b) of 15) De studenten begrijpen de argumenten van de docent, maar ik weet niet _______ ze het er nu wel mee eens zijn.   a) dat b) of

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?