1) Tim gaat morgen voetballen. a) gisteren b) vandaag c) morgen 2) Tim voetbalt. a) gisteren b) vandaag c) morgen 3) Tim is naar het voetbal geweest. a) gisteren b) vandaag c) morgen 4) Tim en Karlijn zijn naar school geweest. a) gisteren b) vandaag c) morgen 5) Tim en Karlijn zijn op school. a) gisteren b) vandaag c) morgen 6) Tim en Karlijn gaan naar school. a) gisteren b) vandaag c) morgen 7) Moeder is thuis geweest. a) gisteren b) vandaag c) morgen 8) Moeder is thuis. a) gisteren b) vandaag c) morgen 9) Moeder gaat naar huis. a) gisteren b) vandaag c) morgen 10) Karlijn heeft gisteren gespeeld. a) gisteren b) vandaag c) morgen 11) Karlijn speelt. a) gisteren b) vandaag c) morgen 12) Karlijn gaat spelen. a) gisteren b) vandaag c) morgen 13) Carlo heeft huiswerk gemaakt. a) gisteren b) vandaag c) morgen 14) Carlo maakt huiswerk. a) gisteren b) vandaag c) morgen 15) Carlo gaat huiswerk maken. a) gisteren b) vandaag c) morgen 16) Ik ben in de dierentuin geweest. a) gisteren b) vandaag c) morgen 17) Ik ben in de dierentuin. a) gisteren b) vandaag c) morgen 18) Ik ga naar de dierentuin. a) gisteren b) vandaag c) morgen 19) Hij heeft Nederlands geleerd. a) gisteren b) vandaag c) morgen 20) Hij leert Nederlands. a) gisteren b) vandaag c) morgen 21) Hij gaat Nederlands leren. a) gisteren b) vandaag c) morgen

Alfa B - Gisteren vandaag morgen

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?