1) De tram ... a) rijd b) rijdt c) rijden 2) De bus ... a) rijd b) rijdt c) rijden 3) De treinen ... a) rijd b) rijdt c) rijden 4) De auto's ... a) rijd b) rijdt c) rijden 5) Ik ... in de auto a) rijd b) rijdt c) rijden 6) Jullie ... in de metro a) rijd b) rijdt c) rijden 7) de ballon a) vlieg b) vliegt c) vliegen 8) de ballonnen a) vlieg b) vliegt c) vliegen 9) de vogel a) vlieg b) vliegt c) vliegen 10) de vlieg a) vlieg b) vliegt c) vliegen 11) de helikopter a) vlieg b) vliegt c) vliegen 12) het meisje a) vlieg b) vliegt c) vliegen 13) Wij... in een vliegtuig a) vlieg b) vliegt c) vliegen 14) de boot a) vaar b) vaart c) varen 15) de boten a) vaar b) vaart c) varen 16) Ik ... met een boot a) vaar b) vaart c) varen 17) Jullie ... met een boot a) vaar b) vaart c) varen 18) De kinderen ... met een boot a) vaar b) vaart c) varen

Werkwoorden rijden vliegen varen

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?