1) ¿Habéis visitado a tu tía?  a) Hebben zij je tante bezocht? b) Hebben wij je tante bezocht? c) Hebben jullie je tante bezocht? 2) ¿Qué te ha comprado? a) Wat heb je voor hem gekocht? b) Wat heeft hij voor jou gekocht? c) Wat heb je voor mij gekocht? 3) Ha comprado un vestido nuevo. a) Zij heeft een nieuwe jurk gekocht. b) Ik heb een nieuwe jurk gekocht. c) Jij hebt een nieuwe jurk gekocht. 4) Hemos encontrado una chaqueta superguay. a) Jullie hebben een supergave jas gevonden. b) Wij hebben een supergave jas gevonden. c) Zij hebben een supergave jas gevonden. 5) ¿Has visto la heladería nueva? a) Hebben ze de nieuwe ijswinkel gezien? b) Heeft hij de nieuwe ijswinkel gezien? c) Heb je de nieuwe ijswinkel gezien? 6) Has ido a la panadería. a) Ik ben naar de bakker gegaan. b) Jij bent naar de bakker gegaan.  c) U bent naar de bakker gegaan. 7) Han comido una tortilla. a) Wij hebben een tortilla gegeten. b) Jullie hebben een tortilla gegeten. c) Zij hebben een tortilla gegeten. 8) ¿Ha estado en España? a) Ben je in Spanje geweest? b) Bent u in Spanje geweest? c) Ben ik in Spanje geweest? 9) Hemos visitado el museo Guggenheim. a) Wij hebben het Guggenheim-museum bezocht. b) Jullie hebben het Guggenheim-museum bezocht. c) Zij hebben het Guggenheim-museum bezocht. 10) ¿Ha leído el libro de Isabel Allende? a) Heb je het boek van Isabel Allende gelezen? b) Heeft zij het boek van Isabel Allende gelezen? c) Heb ik het boek van Isabel Allende gelezen?

¡Qué Guya! hfst 2: Spaans perfecto 2

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?