Julia gaat boodschappen doen. , Zij gaat naar de markt. , Amine koopt groenten en fruit op de markt., Je kunt in de supermarkt veel dingen kopen. , Ik koop brood bij de bakker. , Leandro koopt vlees bij de slager. , Joanne doet boodschappen op de markt. , Aida koopt appels op de markt. , Wij doen zaterdag boodschappen. , Kom jij naar huis?, Jij gaat naar school. , Wij gaan naar school. , Jullie gaan naar school. , Wij komen thuis. , Ik kom thuis. , De vrouw gaat naar school. , Jullie komen uit Groningen. , Nederlandse mensen eten vaak aardappels. , Wat eet jij 's ochtends?, Ik eet 's middags brood. , Je kookt de tomaten en de ui in een pan. , Je hebt 8 tomaten nodig. , Je hebt 1 liter water nodig. , De soep is na twintig minuten klaar. , Je maakt uiensoep. ,

Taalcompleet A1 thema 4.1-4.4

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?