1) de toets 2) het geluid (ik wil geen geluid horen) 3) haast hebben (we hebben geen haast) 4) het totaal (in totaal zijn het 20 vragen) 5) omhoog (doe je hand maar omhoog) 6) een paar (schoenen) 7) Wat is de bedoeling? 8) af (ik heb mijn toets af) 9) afmaken (ik wacht wel even, je mag de toets afmaken) 10) nakijken 11) hopen (ik hoop dat het lukt) 12) vanmiddag 13) Lukt het? (ik hoop dat het lukt) 14) extra (5 minuten extra) 15) benieuwd zijn naar (ik ben benieuwd naar jouw verhalen) 16) Dat klopt!

TaalCompleet A2 - woorden 5.8

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?