1) de politie 2) de agent / de agenten / de politie-agent 3) zitten in (mijn telefoon zat in mijn tas) 4) de portemonnee / de portemonnees 5) de dief / de dieven 6) trekken aan (hij trok aan mijn jas) 7) vechten (vocht - heeft gevochten) 8) herkennen (herkende - heeft herkend) 9) de rits / de ritsen / de ritsjes 10) de paraplu / de paraplu's 11) niet meer / geen ... meer (nu kan ik niet meer bellen / nu heb ik geen telefoon meer) 12) gewond (ben je gewond?) 13) het bloed 14) zeer (het doet geen zeer)

TaalCompleet A2 - woorden 8.6

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?