geduld - Je moet wachten., reclame - Dit doen merken (Nike, Zara, HEMA) om meer spullen te verkopen., dweilen - Dit doe je als laatste om je huis schoon te maken., grappig - Je moet erom lachen., zeep - Hiermee was jij je handen., tandpasta - Dit gebruik je om je tanden schoon te maken., operatie - Dit gebeurt in het ziekenhuis., spijkerbroek - Dit draag je aan je benen., heleboel - Heel veel, ruiken - Dit doe je met je neus., stuk - Het onderdeel, verslag - Er staat geschreven over iets wat gebeurd is., verplicht - Het moet!, schriftelijk - Het is met pen op papier geschreven., afwezig - Je bent er niet., overleggen - Met andere mensen bespreken, officieel - Het laatste besluit - het is definitief, vrolijk - Blij, geheim - Je mag het niet met andere mensen delen., loon - Het salaris, aanvragen - Je moet vragen of je dit kunt krijgen., nadenken - Dit doe je met je hersenen., verboden - Het mag niet., uitgang - Hier kun je naar buiten., glad - Pas op! Je kunt uitglijden.., lelijk - Het is niet mooi., helm - Dit moet op je hoofd als je op een scooter zit., handtekening - Dit zet je aan het eind van de les op papier., negatief - Niet goed, gegevens - De informatie,

Taalcompleet A2, thema 7.4 t/m 7.11

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?