De bus is laat. ................... komt over 10 minuten., het, hij, ze, De moeder van Sarah is jarig. ... houdt erg van bloemen., haar, wij, ze (sg), ze (pl), Peter zegt: "... heb een nieuwe fiets. Mijn fiets is rood.", ik, hij, je, De kinderen spelen buiten. ................. hebben vakantie, hij, het, ze (pl), ze (sg), Wij gaan in de vakantie naar onze familie in Spanje. ...... zijn blij, wij, ik, u, jullie, Opa en oma komen morgen. .................... komen met de auto, zij (pl), hij, wij, zij (sg), Mevrouw Dorien, is dat uw jas? .... heeft het laten vallen (laisser tomber)., u, zij (sg), wij, jij, De kinderen zoeken hun voetbal. ...... spelen voetbal op zaterdag., zij (pl), jij, hun, ze (enkelvoud), Jullie spreken Turks. Kunnen ......... ook Nederlands spreken ?, jullie, ze(pl), ik, het, Mijn kat is lief, ......... heet Kroket., zij, jullie, u, het, Wij leren Nederlands. …………….. is leuk!, we, het, u, jullie

tarafından

Skor Tablosu

Görsel stil

Seçenekler

Şablonu değiştir

Otomatik olarak kaydedilen geri yüklensin mi: ?