De bloedsomloop bestaat eigenlijk uit twee bloedsomlopen. De ____ stroomt van het hart naar de longen en weer terug naar het hart. In de longen wordt ____ opgenomen in het bloed. Het bloed stroomt dan weer terug naar het hart waarvandaan de ____ begint. Vanuit het hart komt het bloed in de ____ terecht. De grote slagaderen noemen we ____ , de kleine slagaderen noemen we ____ . Vanuit de slagaderen komt het bloed in de ____ terecht. Hier geeft het bloed de zuurstof af aan de ____ . Doordat het bloed rond stroomt in de bloedsomloop staat er druk op de vaten in het lichaam. Dit noemen we de ____ . We meten twee waardes in de bloeddruk. De bovendruk, die ontstaat als het hart ____ en de onderdruk, die ontstaat op het moment dat het hart weer ____ . Het lichaam bevat ongeveer ____ liter bloed. Het bloed bestaat uit ____ waardoor het bloed vloeibaar is. Verder bevat het bloed ____ soorten bloedcellen: De ____ , de witte bloedcellen en de bloedplaatjes. De ____ spelen een belangrijke rol bij de afweer van het lichaam. De ____ zorgen er voor dat het bloed kan stollen.

Bestenliste

Visueller Stil

Einstellungen

Vorlage ändern

Soll die automatisch gespeicherte Aktivität wiederhergestellt werden?