1) Wat is de EU? a) Een school b) Een samenwerking tussen landen in Europa  c) Een bedrijf d) Een stad 2) Waarom werken landen samen in de EU? a) Om minder handel te hebben b) Om grenzen te sluiten c) Om beter samen te werken d) Om reizen moeilijker te maken 3) Wat betekent open grenzen? a) Grenzen zijn dicht b) Je mag niet reizen c) Mensen en spullen kunnen makkelijk over de grens d) Alleen mensen mogen reizen 4) Wat is een gevolg van open grenzen? a) Meer controles b) Minder handel c) Snellere handel tussen landen d) Duurdere producten 5) Wat is import? a) Producten verkopen b) Producten uit een ander land halen c) Producten maken d) Producten weggooien 6) Welk voorbeeld is import? a) Nederland verkoopt kaas b) Nederland koopt fruit uit Spanje c) Nederland maakt fietsen d) Nederland bouwt huizen 7) Wat is export? a) Producten kopen b) Producten verkopen aan andere landen c) Producten bewaren d) Producten maken 8) Wat is de euro? a) Een winkel b) Een munt in veel Europese landen  c) Een bedrijf d) Een stad 9) Waarom is de euro handig? a) Je hoeft geen geld te wisselen b) Alles wordt duurder c) e kunt niet reizen d) Je verdient meer 10) Wat zijn invoerrechten? a) Belasting op producten uit andere landen b) Kortingen c) Salaris d) Spaargeld 11) Waarom bestaan invoerrechten? a) Om producten goedkoper te maken b) Om bedrijven in eigen land te beschermen c) Om reizen makkelijker te maken d) Om meer import te krijgen

Classifica

Stile di visualizzazione

Opzioni

Cambia modello

Ripristinare il titolo salvato automaticamente: ?