Ik....... gisteren aan jou......... (denken). , Ik heb gisteren aan jou gedacht. , Jij ....... gisteren een banaan .......... (eten) , Jij hebt gisteren een banaan gegeten. , Zij ......... een gouden ring .......... (stelen). , Zij heeft gisteren een gouden ring gestolen. , Gisteren ........... hij een liedje .......... (zingen). , Gisteren heeft zij een liedje gezongen. , ........... wij gisteren .............. (lachen)? , Hebben wij gisteren gelachen? , ......... jullie op de markt ......... (zijn)? , Zijn jullie gisteren op de markt geweest? , Zij ....... de mooiste broek van de wereld .......... (kiezen). , Zij hebben de mooiste broek van de wereld gekozen. , Hij ........ gisteren hoofdpijn .......... (hebben). , Hij heeft gisteren hoofdpijn gehad. .

Classifica

Stile di visualizzazione

Opzioni

Cambia modello

)
Ripristinare il titolo salvato automaticamente: ?