Goed., Drie plus twee is vijf., Fout., Drie plus twee is vier., Goedemorgen., Goedemorgen. Hoe gaat het?, Dank je., Alstublieft, een cadeautje voor jou. Dank je wel., Praten, Waarover zouden deze twee dames praten?, Luisteren, Ik luister naar de radio., Zeggen, Ik kom je even goeiedag zeggen., Begrijpen., Ik begrijp het helemaal niet., Lezen., Ik lees een boek., Schrijven., Zij schrijft een brief., De leraar., De leraar geeft les., De leerling., De leerling luistert aandachtig., Het boek., Hij leest een spannend boek., De balpen., Wij noemen een balpen soms "een bic"., Het papier., Papier voor de printer., De school., Mijn kinderen gaan naar school., De klok., De klok geeft de tijd weer., Vandaag., Vandaag ga ik fietsen., Het huis., Mijn huis is mijn thuis., De deur., De deur staat open., Het raam., Het raam is dicht., De stoel., Op een stoel kan je zitten., De tafel., We zitten op stoelen aan de tafel., De eetkamer. , Wij ontbijten in de eetkamer., Het bed., Mijn bed staat in mijn slaapkamer., De keuken. , Mama maakt eten klaar in de keuken., De badkamer., Wij hebben een kleine badkamer., De trap., Mijn oma kan moeilijk de trap aflopen., Binnen., Als het regent blijven we lekker binnen., Buiten., In de zomer spelen we veel buiten..

Deel 1. Van woord tot zin. Basiswoordenschat.

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?