Wonen., Wim woont in een appartement., Een man., Jan is een man., Een vrouw., Elisa is een vrouw., Het kind., Het kind kruipt op de grond., De jongen., De jongen speelt voetbal., Het meisje., Het meisje danst., De vader., Vader brengt de kinderen naar school., De moeder., Moeder werkt als tandarts assistente., De broer., Fred is de broer van Annelies., De zus., Annelies is de zus van Fred., De familie., Ik heb een gezellige familie., Het eten., Samen eten is superleuk., Drinken., Drinken doe je altijd met mate., Het water., Het water van het meer is zeer helder., Het brood., Ik eet het liefst bruin brood., De appel., Papa eet elke dag een appel., De banaan., Kinderen vinden bananen lekker., De koffie., Ik drink graag koffie bij mijn ontbijt., De thee., Ik lust best een kopje heerlijke thee., Gaan., Ga je mee naar de winkel?, Komen., Wanneer zal aan de oorlog een einde komen?, Staan., Ik sta aan de bushalte., Zitten., Ik zit op een bank in het park., De dokter., Ik ben op doktersbezoek., De verpleegster., De verpleegster zorgt goed voor mij., De chirurg., De chirurg werkt heel nauwkeurig., De tandarts., Voor de tandarts hoef je echt niet bang te zijn., De schooldirecteur., Deze schooldirecteur is heel lief., De postbode., De postbode brengt pakjes en brieven., De politieagent., De politieagent regelt het verkeer..

Deel 2. Van woord tot zin. Basiswoordenschat 2

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?