Ik ____ van de donder. Het schaap ____ van een wolf. Wij ____ ons een hoedje. Jullie ____ met de fiets. Jij ____ met de motor. Ik ____ echt wel. U ____ een verkeerslicht. Zij ____ de kaartjes voor het concert. Ik ____ een krant. Ik ____ volgende week opa. Maria ____ zuster in het ziekenhuis. Zij ____ oom en tante. Ela en ik ____ met de slee door het bos over de sneeuw. Ik ____ uit over een bananenschil. Het jongetje ____ met zijn schaatsen over het ijs. Het puppy ____ een halsband. Jullie ____ de zware dozen naar buiten. Ik ____ een mooie tas. Ik ____ met een zwarte stift. Het kleine kind ____ met een dikke potlood. De kinderen ____ met een krijtje. De mensen ____ een kaartspel. Ik ____ een spel met mijn ouders. Het kuikentje ____ met een poes. De bazen ____ graag naar het werk. Het robotje ____ door de fabriek. Ik ____ soms naar het dorp. Ik ____ met mijn vriendin op de tennisbaan. Richard en David ____ tegen elkaar. Het tennis automaat ____ niet goed. Het voetbalteam ____ op zaterdagmiddag om 3 uur. Ik ____ niet meer. Mijn ouders ____ niet, maar ze spelen handbal.

2b. werkwoorden o.t.t

Scorebord

Visuele stijl

Opties

Template wisselen

Automatisch opgeslagen activiteit "" herstellen?