Alle - .......kinderen lachen., appartement - Wij wonen in het ........, badkamer - Ik was mijn handen in de ........, beneden - De keuken is ..... niet boven., betalen - Ik ga voor het brood 2 euro ........., broer - Mijn .....heet Tom., buiten - De kinderen spelen ........, buren - Onze ......zijn vriendelijk., centrum - De winkel is in het ............, delen - Wij .......de pizza., druk - De straat is ........., hoeveel - .........kost dit?, hoog - De toren is .........., kamer - Mijn bed staat in de ........., laag - De tafel is ......., licht - Het .......is aan., liefst - Ik eet het .......pizza., maken - Ik ........eten., per - Het kost twee euro .....dag., ruilen - Wij .........dingen., rustig - De avond is ........., tuin - De bloemen staan in de ......., verdieping - Ik slaap op de tweede ........, verhuizen - Wij ........naar een nieuw huis., vlakbij - De school is ........, ik loop 5 minuten., want - Ik blijf thuis, .........ik ben ziek., wat voor - ......... muziek vind jij leuk?, woonkamer - Wij zitten in de ........, zoeken - – Wij ........de sleutel.,

Tabela rankingowa

Motyw

Opcje

Zmień szablon

Przywrócić automatycznie zapisane ćwiczenie: ?