1) Wanneer gaat Bob naar school? 2) Wanneer eet je? 3) Wanneer drink je? 4) Wanneer neem je paracetamol in? 5) Wanneer ga je naar de tandarts? 6) Wanneer ga je naar de huisarts? 7) Wanneer sport je? 8) Wanneer ga je uit? 9) Wanneer drink je koude bier? 10) Wanneer drink je warme thee? 11) Wanneer ga je met de fiets? 12) Wanneer ga je naar het strand? 13) Wanneer ga je op vakantie? 14) Wanneer verhuis je? 15) Wanneer doe je je jas aan? 16) Wanneer zwem je? 17) Wanneer ga je naar huis? 18) Wanneer ga je naar de supermarkt? 19) Wanneer ga je naar het zwembad? 20) Wanneer neem je de auto?

Tabela rankingowa

Motyw

Opcje

Zmień szablon

Przywrócić automatycznie zapisane ćwiczenie: ?